Land- en tuinbouwbedrijven

  • Vlaanderen telt ruim 23.000 land- en tuinbouwbedrijven

    Het Vlaamse Gewest telde in 2019 23.318 land- en tuinbouwbedrijven, waarvan 77% met een beroepsmatig karakter. Dat laatste wil zeggen: met een standaardopbrengst van minstens 25.000 euro. Het aantal land- en tuinbouwbedrijven is ten opzichte van 2005 met ongeveer één derde teruggelopen.

     

  • Gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf met bijna helft gestegen

    Tussen 2005 en 2019 is de gemiddelde oppervlakte cultuurgrond per bedrijf met bijna de helft gestegen, tot 26,7 hectare. Dat geeft aan dat vooral kleinere bedrijven stoppen, wat leidt tot een voortdurende schaalvergroting.

    Ook de evolutie van de gemiddelde veebezetting per bedrijf wijst op een schaalvergroting. Het gemiddeld aantal grootvee-eenheden per bedrijf en de gemiddelde grootte van de veestapel per gespecialiseerd rundvee-, varkens- en pluimveebedrijf stegen tussen 2005 en 2019 continu.

     

  • Gemiddelde oppervlakte landbouwbedrijf hoogst in Vlaams-Brabant en Limburg

    De gemiddelde oppervlakte per landbouwbedrijf ligt het hoogst in Vlaams-Brabant en Limburg en het laagst in West- en Oost-Vlaanderen.

     

  • Aantal biobedrijven meer dan verdubbeld tussen 2010 en 2019

    Eind 2019 waren er in het Vlaamse Gewest 562 biologische landbouwbedrijven actief, inclusief de bedrijven in omschakeling. Hiermee vertoont het aantal bioproducenten tussen 2010 en 2019 een gemiddelde groei van 9% per jaar en is het aantal biobedrijven meer dan verdubbeld.

    De biobedrijven bewerkten eind 2019 samen 8.677 hectare (waarvan 6.974 ha biologisch areaal en 1.703 ha areaal in omschakeling). Ook dat is een toename van bijna 10% tegenover 2018. Eind 2019 bewerkten de biobedrijven ongeveer 1,4% van het volledige landbouwareaal.

  • Aandeel biobedrijven hoogst in Vlaams-Brabant, Antwerpen en Limburg

    Het aandeel biologische landbouwbedrijven ligt het hoogst in Vlaams-Brabant, Antwerpen en Limburg.

Bronnen

Definities

Grootvee-eenheid (GVE): het aantal GVE wordt bepaald door het aantal dieren om te zetten met behulp van volgende coëfficiënten: runderen jonger dan 1 jaar: 0,4; runderen van 1 jaar en jonger dan 2 jaar: 0,6; mannelijke runderen van 2 jaar en meer: 1; vaarzen van 2 jaar en meer: 0,5; melkkoeien: 1; zoogkoeien en reforme koeien: 0,8; schapen en geiten: 0,1; biggen van minder dan 20 kg: 0,027; zeugen: 0,5; andere varkens: 0,3; vleeskippen: 0,007; leghennen, poeljen en fokhanen: 0,014; ander pluimvee: 0,03 en paardachtigen: 0,6.

Standaardopbrengst: de geldwaarde van de bruto landbouwproductie per eenheid tegen prijzen af boerderij en exclusief BTW. Er wordt geen rekening gehouden met subsidies. Ook specifieke kosten (zoals zaad, meststoffen, bestrijdingsmiddelen, voeders en energie) worden niet afgetrokken.

Bedrijven in omschakeling: om van een gangbaar bedrijf een biologisch bedrijf te maken, moet de boer 'omschakelen'. Als de boer de bioregels volgt en de controleorganisatie hem een certificaat uitreikt, is de boer na één jaar gecertificeerd ‘in omschakeling naar bio’. Na twee jaar (eenjarige gewassen als bijvoorbeeld groenten) of drie jaar (meerjarige gewassen als bijvoorbeeld pitfruit) krijgt de boer dan het officiële biocertificaat van de controleorganisatie en mag hij zijn product als biologisch verkopen.

Publicatiedatum

18 juni 2020

Volgende update

juni 2021

Meer cijfers

Contact

Vorige versies